Stel, u bakt een cake en doet
in het beslag één krentje. Als
de cake klaar is, is van buitenaf
niet te zien waar het
krentje zich bevindt.
Daarvoor is het nodig de cake in plakjes
te snijden. Hoe dunner de plakjes,
des te groter de kans om het krentje
tegen te komen. Een CT-scan werkt
eigenlijk precies zo. De 'cake' is een
menselijk lichaam en het 'mes' dat de
plakjes snijdt zijn röntgenstralen. Die
komen uit een stralingsbron en worden
aan de andere kant van de tafel
opgevangen door een detector. Het
resultaat van een scan is een röntgenfoto
van een dwarsdoorsnede door het
lichaam. Vroeger werden de scans
bekeken op een röntgenfilm, maar
tegenwoordig zijn de opnamen op een
computerscherm te zien en op allerlei
manieren te bewerken.
De nieuwst scanners hebben tegenwoordi zestien detectoren.
Tijdens een CTscan
ligt de patiënt met z'n kleren aan
op een tafel, die door de scanner wordt
geleid. De scanner beweegt zich rond
de tafel en scant in een spiraalvormige
beweging het hele lichaam. Tijdens de
scan houdt de patiënt de adem in om
beeging in de opname te voorkomen.
De huidige CT-scanners hebben
meerdere detectoren om de röntgenstralen
op te vangen. Daarmee is het
mogelijk meerdere ‘plakjes’ tegelijk te ‘snijden’. Deze zogeheten multislicescanners
hadden eerst vier detectoren,
maar tegenwoordig zijn er dus apparaten
met zestien. Deze scanners zijn veel
sneller dan hun voorgangers en de
opnamen bevatten steeds meer details,
zodat betere diagnostiek mogelijk is.
De ‘messen’ worden bovendien steeds
scherper, oftewel de lichaamsplakjes
steeds dunner.